´Ik zal je leren hoe je vuur maakt. Let goed op.´ We hingen samen over de vuurstapel, de meterslange takken en dunne boomstammen meer dan twee meter hoog opgetast. De stapel was grof geschat drie meter breed en zes meter lang. Zo´n grote stapel had ik nog nooit op mijn land gehad. Dennen, mimosa, eucalyptus. Maar wel nat.

Ik kon zelf inmiddels, na jarenlang oefenen in zon, wind en zelfs regen, goed vuur maken. Kleine houtjes in dezelfde richting voeden aan de steekvlam die een robuust vuur moest gaan worden. Ik wist wanneer de mimosatakken, mits goed gegooid, een zucht wind zouden toevoegen aan een nipt vuur – om het daarmee over een drempel te brengen. Tot een groot vuur. Met vlammen die hoog oplaaien maar niet breed, die het niet op een lopen wilden gaan zetten. Vlammen die tevreden zouden vreten aan elke nieuwe toevoer maar niet hongerig om zich heen wilden bijten. Dat soort vuur. Dat kon ik maken. Maar linksom, rechtsom, naar wat ik wist kon een vuur niet geboren worden uit lange takken. En daarom liet ik me dit aanstaande wonder graag uitleggen door deze verweerde Portugees. Die zijn leven sleet met ronkende motorzagen, bomen die met een klap neervielen, kapotte wielassen, stortregens en brandende zon. En vuurstapels. De stammen die geld waard zijn op het scheve vrachtwagentje. De takken en dunne stammen lukraak op het land. Tenzij er, zoals nu, een eigenaar bij is die geen jungle wil maar een overzichtelijk landschap dat mooie bomen herbergt, kurkeiken, de portugese eik, olijfbomen, fruitbomen en paarse heide en groener dan groen gras. Dan is er dus die vuurstapel.

´Een paar dennenappels. En groene dennentakken. Let wel: alleen maar groene dennentakken.´  Hij haalde net de brander tevoorschijn toen we net bijtijds konden wegspringen. Een halve tel daarvoor klonk het ´cuidado!´van de immer doorzagende oudere senhor Cristino. Een halve tel later ´sffff  – POK!´de enorme eucalyptus op de grond waar wij zojuist stonden. We zouden verpletterd zijn. Alsof er niets aan de hand was, liepen we weer naar de vuurstapel, brander in de hand. Zo is het leven dus van deze mannen. In de bossen, ogen openhouden, steeds. Oren onbedekt. Ik was de enige met gehoorbeschermers.

Enkele uren later was het vuur nog steeds niet aan. Ze hadden wel acht, negen keer opnieuw een flinke guts benzine uitgegoten op de stapel. Dan was er eventjes vuur geweest maar dat was uitgehongerd weer gestorven. Geen kleine takken gehad, dacht ik, geen wonder. Maar dat zeg je deze trotse Portugezen niet. We hadden met nog draaiende kettingzagen vlak langs de enkels op hobbelige heuvels gelopen, telkens ´JING!` ergens nog wat ´JING! JING! `takken afzagend. Als ik een boomstam vasthield spoten de houtsnippers op mijn hoofd en plakten vast aan het zweet. Ik hield mijn ogen net genoeg dicht om te kunnen zien of ik snel mijn handen moest verplaatsen. En ik hield mijn gehoorbeschermer half op mijn oren. Net genoeg over mijn oren om niet doof te worden van het lawaaiig gesnerp naast me en net genoeg van mijn oren af om op tijd te kunnen wegspringen na een snelle waarschuwing. Boom na boom velden we ´sfff – POK!´. En rolden we de heuvel af ´´zjfffffff- zjffff´.

Water! Riep de kaapverdiaan die net als ik het til- en sleepwerk deed. En later richting de lunch de grap ´drie vaten!´naar de naam van het beroemde restaurant verderop. Drie vaten alcohol wilde hij wel drinken, hij vond het een reuze grap.  Net voor de lunch kon de hoop op de heuvel almaar doorzagende senhor Cristino de levenloze takkenstapel niet meer aanzien en kwam de heuvel af en zaagde alle stammetjes en takken in de vuurstapel in kleinere stukken. Struikelend stond hij metershoog op de stapel ´JING! JING!` zaagde hij bezeten door. Weer een jerrycan benzine uit het scheve wagentje in plassen nu op de stapel. En jawel, nu deed het vuur het.

Ik bracht de lunchpauze door in een dichte mist die hoog boven mijn huis uit torende, de rookwolk van het enorme vuur. Zwetend en onder het roet schoof ik de stapel takken van rondom de vuurmond in, in de hoge vlammen. Ze hadden me uitgenodigd mee te gaan lunchen in het cafeetje dat ik had aanbevolen, net iets verder dan het fameuze restaurant van de ´drie vaten´. No way liet ik mijn huis en land achter bij metershoge vlammen. Ik kon geen paar meter voor ogen zien. Ik kon gerust zijn, zeiden ze. Ze zouden snel terug zijn, ´niet eens gaan zitten´.

Twee uur later waren ze er weer. De lunch was wel wat duurder geweest dan de twintig euro die ik ze had toegeschoven en die voldoende had moeten zijn. Gedrieën hadden ze 49 euro afgerekend. Geen grap! Zeiden ze telkens opnieuw op mijn ongelovige ondervraging. Ze hadden hun negenentwintig jaar oude, gedeukte scheve kleine vrachtwagentje met lekke rechterachterband geparkeerd tussen de uiterst jonge BMW´s en audi´s. En Mercedessen. Ze mochten, na enige aarzeling onder de bediening, in de volle zaal aan het enige lege tafeltje plaatsnemen. Petten hadden ze afgedaan. In hun afgezakte spijkerbroeken met te korte t-shirts waren ze, de houtsnippers in het haar en de zweetplekken op borst en oksels, gaan zitten. Iedereen om hen heen zag er chique uit, in pak, de dames met goud en juwelen. Er was geen enkele bel gaan rinkelen. Ze hadden de menukaart bekeken en gehoord dat er geen speciale lunchprijs was. Ze hadden voor driemaal zoveel geld als elders, dezelfde gestoofde kalfsschotel besteld als in elk ander Portugees cafeetje of restaurant. De Kaapverdiaan had met grote armgebaren zijn servet slechts gebruikt om de jus die over zijn kin liep, af te vegen. Eenmaal gedaan smeet hij zijn servet weer naast zijn bord, bruine vlekken op de smetteloos witte grote prop. Drie bezwete mannen ver voorover over hun borden gebogen, slurpend aan hun wijn. Twee met een servet over hun bevuilde t-shirt. Pas bij het afrekenen werd hen helemaal duidelijk dat dit chique etablissement niet het bedoelde cafeetje was geweest. De hele middag werden de verhalen opgedist. Over de auto´s. De entourage. Het eten. Hun kleding. De servetten. De grootste pret, ze stonden telkens even stil om er om te lachen. Tegen het donker zat ik bij het resterend vuur. In een t-shirt, eind november. Ik zag de sterren. Met wiebelende vracht en na het oppompen van een band waren ze net de hoek om gekieperd, de ramen open. Het lukte amper de heuvel op te rijden. Met de dieselwalm en het gestotter van de motor, de bonkende houtstammen tegen het staal stierf ook hun lach weg. Ze hadden een verhaal voor het nageslacht, riepen ze opgewekt. Met de drie vaten.